Uniform

Het nieuwe uniform van St. Urbanus is een kopie van het uniform dat werd ingevoerd toen het korps Grenadiers in 1829 als nieuw onderdeel van het Nederlandse leger werd opgericht.

Het is gemaakt aan de hand van de documentatie die het legermuseum te Delft welwillend heeft verstrekt.

Dit uniform met de witte broek was het mars en uitgaanstenue van de Grenadiers. Het werd tot 1840 gedragen. Daarna is de witte broek vervangen door een donkerblauwe.

Bij de oprichting van het Grenadiers korps vond men het nodig om de militairen een  martiaal uiterlijk te geven. Ongetwijfeld is naar de Franse grenadiers uit vroegere tijden gekeken. Zo is de  karakteristieke berenmuts voor dit onderdeel ingevoerd.
De muts werd oorspronkelijk van het vel van zwarte beren gemaakt. De mutsen van de schutterij zijn nu van kunstbont vervaardigd.
Aan de voorkant is een embleem van geel koper in de vorm van een halve zon met een witte metalen springende granaat aangebracht
De officieren hebben een gouden kwastje en de schutters een wit kwastje aan de bovenkant van de muts.

De jas is van zwart laken gemaakt met koperen knopen en voorzien van 8 gele dubbele borsttressen. De tressen zijn met rood afgebiesd.

De jas is aan de voorzijde recht horizontaal gesneden en rood afgebiesd. Vanaf de heup lopen de jaspanden in twee punten naar achteren.

De panden zijn van rode omslagen voorzien. Op de zwarte gedeelten tussen de rode opslagen bevinden zich 3 gele dubbele lissen, horizontaal geplaatst met knopen. Op de onderrug zijn twee geel metalen knopen aangebracht.

Op de schouders zijn witte epauletten aangebracht, rood gebiesd en voorzien van geelmetalen springende granaten. Op beide schoudernaden is een rode wing bevestigd.

De broek is van ruw katoen gemaakt. Alleen bij de schutters heeft die wat kortere pijpen met kleine splitten aan de buitenkant. Daaronder worden witte katoenen slobkousen gedragen. Die waren makkelijker te wassen en te drogen dan een hele broek.

De schoenen zijn zwart.

Wanneer de schutterij voorbij marcheert zien we achter de bordjesdrager twee sappeurs marcheren. Toen Napoleon was verslagen en de Nederlanden weer een eigen leger oprichtte, werden sappeurs bij de verschillende legeronderdelen ingedeeld. Zij kregen hetzelfde uniform als het betreffende legeronderdeel. Sappeurs moesten loopgraven, barricades en borstweringen maken. Daarvoor hadden zij een bijl, een schop, een zaag of een pikhouweel bij zich. Het leren schootsvel dat zij droegen was bedoeld om tijdens het uitvoeren van hun werk wat bescherming te bieden.

De sappeurs waren omstreeks 1830 bewapend  met een geweer type M-1815 en een sabel om zich te kunnen verdedigen. Bij St. Urbanus dragen de sappeurs replica’s van dat geweer en de sabel.

Midden voor op het  schootsvel is een patroontas aangebracht voorzien van het sappeursembleem:  twee gekruiste bijlen.

De sappeurs waren de voorlopers van het genie korps van tegenwoordig.

 Na de sappeurs  komt de Tamboer Maître met het klaroenkorps. De tamboers en blazers hebben geen slobkousen. Onder de rode wings op de schouders is rood-witte franje aangebracht als teken dat de drager lid van het muziekkorps is.

Achter het klaroenkorps komen de 4 marketentsters. De kleur en de uitvoering van hun uniform moet volgens de normen van de Limburgse Schutters Federatie in overeenstemming zijn met het uniform van de schutterij. Het is in overeenstemming met die normen ontworpen, vervaardigd en geschonken door de beschermvrouwe van de schutterij mevr. Lamberigts uit Maastricht.

Vroeger droegen de marketentsters ook wel grote luifelhoeden met strikken onder de kin vastgemaakt. Maar ook hoedjes zoals de marketentsters nu dragen kwamen voor.

De marketentsters waren voor de schutterijen, wat tegenwoordig de kantinedienst in het leger is. Het vaatje dat zij aan de linkerkant dragen bevat jenever of een andere alcoholische drank. In het mandje aan de rechterarm hebben zij brood, kaas en worst. Een glaasje, een mesje en een handdoek ontbreken daarbij niet.

Onder het witte schort dragen ze een leren geldbuideltje. Daarin werd vroeger het geld opgeborgen dat ze met de verkoop van etenswaar en drank verdienden.

Na de marketentsters marcheert de vaandeldrager met het vaandel van de schutterij met daarachter het koningspaar, de officieren en de schutters.

De koning heeft hetzelfde uniform als de officieren. In zijn rechterhand houdt hij de zilveren koningsvogel vast als teken van zijn waardigheid Over zijn jas draagt hij een zwarte kazuifel waarop  zilveren schilden zijn gehangen met daarin de namen en jaartallen van  voorgaande koningen gegraveerd.

De koningin draagt een kleed dat qua kleur en uitvoering moet passen bij het uniform van de schutterij. In het haar draagt zij een zilveren diadeem en in haar rechter gehandschoende hand een boeket.

De officieren hebben op de zijnaad van de broek een glimmende bies. Zij zijn uitgerust met een degen in een leren schede.

De schutters zijn uitgerust met hetzelfde geweer en sabel als de sappeurs. Aan de gekruiste witte bandelieren is links de sabel en rechts een patroontas gehangen. De patroontas is eveneens voorzien van een gele ontploffende granaat, het embleem van de grenadiers.

In het midden voor op een bandelier is een geel koperen leeuwenkop bevestigd met aan een kettinkje een ruimnaald. Die diende om het zundgat van het geweer door te steken. Dat is het gat  waardoor de vonk van het slaghoedje naar het kruit in de loop slaat. Na een aantal schoten koekte die opening dicht en kon men dus niet meer schieten. Met de ruimnaald werd dat euvel verholpen.

Op de andere bandelier is een springende granaat bevestigd.